
Na overnacht te hebben in het Guesthouse zijn we vanmorgen verder Oekraine ingereden met busjes. Ook nu kunnen we het land goed bekijken. Wat vooral opvalt is het verschil met Hongarije. Echt alles is hier vervallen en oud, de huizen, de wegen, de auto’s. Alleen de bezinepompen niet, die zien er meestal uit alsof ze er nog geen jaar staan. Als we moeten stoppen voor de spoorwegovergang rijden alle auto’s tot onze verbazing tussen de slagbomen door. We staan tien minuten stil en wachten op de trein. Die is in geen velden of wegen te bekennen. Dan gaan de bomen weer open, zonder dat er een trein voorbij is gekomen. Tja… je bent in Oekraine of niet.
Mensen zitten langs de kant van de weg met hun groente en fruit, wachtend tot er iemand langs komt om iets te kopen. Onze eerste stop is bij een gezin dat 2 eigen kinderen heeft en 7 pleegkinderen. Dit gezin zal maandag met ons mee gaan naar Debrecen. Zij zijn het eerste gezin dat zich heeft aangesloten bij de Samuel Foundation. Deze foundation heeft tot doel gezinnen financieel te ondersteunen en te helpen met adoptie. Gezinnen die hier bij aansluiten moeten minimaal 5 kinderen adopteren en maximaal 10. Op die manier bieden zij een gezinsvervangend tehuis voor de kinderen. Ze zien deze kinderen als hun eigen kinderen en zijn er erg lief voor. Het eerste huis is klein en gezellig ingericht. Ze hebben een vaatwasser en een koelkast, maar het toilet is buiten, een plank boven een kuil. De kinderen spelen en zingen liedjes.
In het tweede gezin zijn er zes kinderen. Ze zoeken contact en willen spelen. Er wordt veel gelachen. Later horen we en zien we tijdens een presentatie foto’s van hoe deze kinderen eerst geleefd hebben. Een van de kinderen was 2 jaar oud en woog 8 kilo, voordat hij werd geadopteerd door de familie. De anderen waren vier jaar en konden niet zitten, niet zelfstandig eten, niet praten. Dat komt omdat de verpleegsters in het ziekhuis waar zij vandaan komen, geen tijd hebben om zich met hun opvoeding en ontwikkeling bezig te houden. Alle kinderen die we vandaag gezien hebben, hebben een ontwikkelingsachterstand. Ze zien er vier tot twee jaar jonger uit dan ze werkelijk zijn. Het is geweldig om te zien dat de kinderen in de gezinnen helemaal opbloeien, geknuffeld worden en enorm veel liefde krijgen. De pleegouders doen dit vanuit hun geloofsovertuiging, mensen uit hun omgeving reageren negatief op wat zij doen omdat het hier niet gebruikelijk is om iets voor een ander te doen. Iedereen is eigenlijk zelf bezig om te overleven.
In de kerk waar de presentatie gegeven wordt is ook een groep Nederlanders aanwezig, je komt ze ook overal tegen!
De vierde stop heeft iets te maken met wagenziekte, over de rest treden we niet in details. In ieder geval rijdt onze chauffeur een stuk rustiger na dit voorval. Lunchen doen we bij een restaurant. Hierna bezoeken we nog een gezin van de Samuel Foundation en rijden we door naar het zomerverblijf van een staatsweeshuis. Dit maakt eigenlijk nog het meeste indruk. Zoveel schatjes van kinderen, die geen ouders meer hebben. We delen bananen uit, die ze nog in de schil opeten, uit angst dat de andere kinderen er van eten. De leiding van het staatsweeshuis organiseert geen programma voor de kinderen. Er is 1 schommel voor c.a. 150 kinderen. Uit gemak zetten ze iedere avond de muziek hard, zodat de kinderen iedere avond disco hebben. Het meisje dat vertaalt, vertelt ons dat de leiding vaak dronken op bed ligt en dat de kinderen aan hun lot worden overgelaten. Nadat de kinderen gegeten hebben, mogen wij in hun slaapzalen kijken. Ze hebben nauwelijks kleren mee voor de twee maanden die ze hier verblijven. Het is donker, oud en het stinkt er. We worden er een beetje moedeloos van dat we zo weinig voor deze kids kunnen betekenen. Gelukkig kunnen we tijdens de rit naar het guesthouse en het napraten ’s avonds weer relativeren. Ondanks dat het heftig is hebben we het ook heel gezellig met elkaar en wordt er veel gelachen.